Wat is er nu écht nodig om jongeren en volwassenen goed te informeren over relaties en seksualiteit? Lizet Lommen, al bijna 25 jaar jeugdverpleegkundige binnen de Jeugdgezondheidszorg, en Melissa Hebben, verpleegkundige bij team Seksuele Gezondheid, weten het als geen ander. Samen met collega’s Maddy Blans (Jeugdgezondheidszorg) en Niki Donné (Seksuele Gezondheid) maken zij deel uit van de trainerspoule Relaties & Seksualiteit. Vanuit deze trainerspoule ondersteunen zij scholen, teams en professionals bij het bespreekbaar maken van dit belangrijke thema.
In dit interview beantwoorden Lizet en Melissa vijf prikkelende vragen over hun werk, de uitdagingen die ze tegenkomen en waarom ze het elke dag weer met plezier doen. Inclusief praktische tips die iedereen morgen al kan toepassen.
Waarom is het leuk om bij de GGD te werken?
Lizet: “Ik doe mijn werk heel graag en met veel plezier. Wat ik zo fijn vind aan mijn werk, is dat het continu verandert: de maatschappij verandert en jij verandert mee. Ik doe dit werk nu bijna 25 jaar, en elke dag is anders. Daarbij vind ik het werken met jongeren en kinderen heel leuk.
Het mooie is dat ik kan werken in het sociale domein, met scholen en ouders. Hierbij kun je nadenken over bredere thema’s, dan wat je als reguliere verpleegkundige aanbiedt en dat maakt dat ik nog steeds elke dag met veel plezier naar mijn werk ga!”
Melissa: “Ik vind het leuk dat ik de complexere gesprekken kan aangaan. Wat mensen niet durven te bespreken vind ik juist leuk om wel te doen. Het fijne is dat we veel vrijheid hebben, nieuwe ideeën altijd mogen delen, en het gesprek open is. Dat maakt het werk betekenisvol en leuk.”
Wat houdt de trainerspoule Relaties & Seksualiteit precies in?
Lizet: “De trainerspoule is eigenlijk ontstaan vanuit behoefte bij scholen, maar ook bij collega’s. Er ligt nog een groot vraagstuk in de maatschappij op het gebied van relationele en seksuele vorming. Scholen zijn vaak met heel veel dingen bezig en moeten aandacht besteden aan heel veel onderwerpen, maar ook een stukje relationele vorming, want dat staat wettelijk verankerd. Hoe ze dat precies handen en voeten moeten geven, is voor sommige docenten nog echt een vraagstuk. En daar proberen wij scholen in te ondersteunen.
We hebben samen met GGD Zuid-Limburg trainingen ontwikkeld. De basiscursus is ontwikkeld door onze collega Niki, in samenwerking met GGD Zuid-Limburg. Daarnaast werken we met een basisprogramma, maar leveren we ook veel maatwerk. Het hangt echt af van de school: cultuurdiversiteit, speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs. Soms ontwikkelen we ook pilots, bijvoorbeeld voor sportverenigingen over grensoverschrijdend gedrag. Daar leren ze signalen herkennen en hoe ze daar als bestuur mee om kunnen gaan..”
Melissa: “Het is ook een hele mooie aanvulling om dat samen te doen. Lizet komt vanuit de jeugdgezondheidszorg en ik vanuit seksuele gezondheid. Die combinatie werkt heel sterk. In trainingen komen vaak veel vragen over het seksuele gedeelte, waarbij ik praktijkvoorbeelden kan delen. Mensen vinden het prettig om echte ervaringen te horen en niet alleen theorie. Lizet kan dan weer meer delen over het stukje opvoeding, dat zit meer bij de jeugdgezondheidszorg.”
Lizet: “Daarnaast is het heel fijn om met z’n tweeën te werken, want het onderwerp kan soms emoties oproepen of vragen bij mensen zelf raken. Je kunt elkaar dan checken of alles goed gaat. De kracht zit echt in die samenwerking.”
Merk je tijdens trainingen ook ongemak rondom het onderwerp?
Melissa: “Dat ongemak is er zeker, maar het verschilt enorm per doelgroep. Maatschappelijk werkers hebben er vaak minder moeite mee, omdat zij gewend zijn om gevoelige gesprekken te voeren. Bij docenten zie je vaker een tweedeling: sommige praten er makkelijk over, anderen vinden het echt spannend.
Lizet: “Je merkt ook dat er docenten zijn die denken: ik moet dit doen, terwijl anderen juist heel enthousiast zijn. En dat mag er allebei zijn. Dat benoemen we ook altijd. Je mag je ongemakkelijk voelen. Wat we vooral proberen duidelijk te maken, is dat het niet wenselijk is om pas in groep 7 of 8 te beginnen met onderwerpen als ongesteld zijn of de eerste natte droom. Dan is het voor leerlingen én docenten vaak juist extra ongemakkelijk.
Wij pleiten voor een doorgaande leerlijn. Begin al in groep 1 met eenvoudige onderwerpen zoals wie jou mag aanraken of een kus geven. Bouw dit stap voor stap uit, zodat in groep 8 thema’s als genderdiversiteit en sexting gewoon een normaal onderdeel zijn.”
Melissa: “Net als rekenen: dat heb je ook iedere week, daar maak je geen ‘ding’ van. Als je het pas één keer benoemt, bijvoorbeeld: ‘Vandaag gaan we het over ongesteld zijn hebben’, dan komt iedereen al met een rood hoofd binnen. Terwijl het juist helpt als het een normaal onderdeel is van het onderwijs.”
Waarom vinden zoveel professionals het spannend om over seksualiteit te praten?
Lizet: “Veel professionals vinden het spannend omdat het ook iets van henzelf raakt. Hun eigen normen, waarden of ervaringen spelen mee. Daarnaast is er soms angst voor reacties van ouders: maak ik mijn kind dan niet nieuwsgierig? Terwijl volwassen seksualiteit echt iets anders is dan kinderseksualiteit, bij kinderen spelen hormonen geen rol. Voor hen is het vaak heel normaal; wij maken er als volwassenen iets spannends van.”
Melissa: “In het voortgezet onderwijs is het extra belangrijk om het bespreekbaar te maken, want jongeren gaan het sowieso opzoeken op internet. Dan kun je ze beter de juiste informatie geven. Soms laten professionals het onderwerp liggen omdat ze denken dat kinderen nog te jong zijn, of omdat ze zelf te weinig kennis hebben. Dan wordt het doorgeschoven naar ouders, terwijl een kind juist op dat moment vertrouwen toont.”
Lizet: “En we zien dagelijks in de media hoe belangrijk het is om aandacht te besteden aan grenzen, consent en wederzijds respect. Kinderen en jongeren moeten leren wat ze zelf wel en niet prettig vinden, maar ook hoe ze grenzen van anderen herkennen. Dat geldt trouwens net zo goed voor volwassenen.”
Wat zijn de grootste uitdagingen in jullie werk en hoe gaan jullie daarmee om?
Lizet: “Soms merken we weerstand bij scholen of docenten. De ene docent zegt: ‘Ik heb hier geen tijd voor, dit leer ik er niet van’, terwijl een ander juist vindt dat dit onderwerp heel belangrijk is. Ook ouders kunnen weerstand hebben, bijvoorbeeld vanuit hun geloofsovertuiging of eigen ervaringen. Het is steeds een uitdaging om daarin een goede balans te vinden.
Daarom proberen we zoveel mogelijk openheid te creëren. Voordat een training start, spreken we duidelijke regels af: wat mag wel, wat niet en dat privacy wordt gerespecteerd. Als het echt ongemakkelijk wordt, kan iemand ook even weggaan. Soms komen er kwetsbare situaties naar boven, en daar stemmen we vooraf al over af met het team. Het blijft altijd maatwerk.
Daarnaast zijn tijd en capaciteit beperkt. We zijn met vier trainers en mogen een beperkt aantal trainingen per jaar aanbieden. Toch realiseren we ons dat het kleine steentje dat we bijdragen belangrijk is en echt verschil kan maken.”
Melissa: “Wat ik persoonlijk lastig vind, is wanneer je merkt dat er binnen een team onderling strijd ontstaat. Dan heb je leraren die duidelijk ontevreden zitten en denken: ik moet hier zitten, terwijl er bijvoorbeeld tegenover hen een gymdocent zit die juist enorm worstelt met het onderwerp. Soms willen mensen elkaar dan gewoon niet meer horen. Dat vind ik jammer en als trainer ook een lastige situatie om mee om te gaan.”
Wat vind je het leukste aan het geven van de trainingen?
Lizet: “Wat ik altijd heel fijn vind, is het moment van evalueren. We vragen deelnemers wat ze ervan vonden en of ze er iets aan hebben gehad. We scoren goed, en dan denk ik: we kunnen hier echt iets betekenen. Soms met hele kleine dingen die voor ons heel normaal zijn, maar die voor anderen juist nieuwe inzichten geven. Daar word ik echt blij van.
Daarnaast hebben we onderling een heel leuk team, met veel humor. Dat vind ik een superbelangrijk onderdeel van dit werk. Er mag gelachen worden, maar nooit uitgelachen. Humor helpt om het onderwerp luchtig en toegankelijk te maken. Dat zeggen we ook altijd tegen leerlingen en docenten: het mag leuk zijn. Dat maakt het veel makkelijker om het gesprek aan te gaan.”
Melissa: “Ik vind het vooral heel leuk om het gesprek aan te gaan. Juist om knelpunten binnen een team naar boven te halen en die bespreekbaar te maken. Het is dan heel fijn als je samen met een collega voor een groep staat en merkt dat mensen zien dat het laagdrempelig kan. Dat je er niet heel stijf hoeft te staan met: dit en dit is het, succes ermee.”
En stel: iemand wil morgen al bewuster met dit thema omgaan. Wat is één concrete tip die jullie iedereen zouden meegeven?
Lizet: “Verdiep je erin. Ga op onderzoek uit. Het lijkt vaak heel spannend, maar het zit hem vooral in hoe je het gesprek voert en welke taal je gebruikt. Als je weet hoe je het gesprek kunt aangaan met cliënten of jongeren, wordt het eigenlijk heel leuk. Er zijn genoeg goede tools beschikbaar. Zorg vooral dat je zelf voldoende op de hoogte bent, want degene tegenover je voelt het meteen als jij je ongemakkelijk voelt. En merk je dat je er zelf niet oké bij bent, dan is het ook helemaal prima om een collega te vragen het gesprek over te nemen.”
Melissa: “En als je denkt: waar moet ik beginnen? Stel die vraag gewoon. Wij kunnen je allerlei betrouwbare informatie en links doorsturen om je op weg te helpen. Wat ook echt helpt, is om het niet te stijf te maken. Breng er wat luchtigheid in. Humor kan spanning wegnemen. Door bijvoorbeeld woorden of begrippen rondom het onderwerp samen te benoemen, gaat de lacherigheid er vaak af en ontstaat er daarna juist rust om het gesprek goed te voeren.”